De
geschiedenis van blaasmuziek is lang. Sinds mensenheugenis wordt
muziek gemaakt: archeologen hebben trompetten gevonden die eeuwen
voor Christus gemaakt zijn. Deze trompetten lijken in niets op de
exemplaren die we nu kennen: het waren uitgeboorde hoorns van
runderen.
Rond 1400
voor Christus doken bij de Egyptenaren de eerste metalen trompetten
op. De techniek om metaal te buigen was hen nog onbekend. Daardoor
kreeg hun trompet de vorm van een lange buis.
De Romeinen
namen later de Egyptische bouwstijl over en ontwikkelden er een
Romeinse Tuba mee. Dit instrument kreeg een belangrijke plaats in de
samenleving.
Aangevuld met
trommelaars stonden de Romeinen namelijk aan de basis van de eerste
"militaire kapel". Ieder leger werd voorgegaan door een eigen groep
muzikanten.
Legers stonden vaak aan de wieg
van muzikale ontwikkelingen. Niet zo vreemd, want muziekinstrumenten
speelden een belangrijke rol in de communicatie tussen militairen.
Een trompet of trom was het enige geschikte middel om een signaal
snel, en over grote afstand door te geven.
Toen de
Turken in de 15e eeuw Europa binnenvielen, bracht dat niet alleen
oorlog met zich mee: de Turken bleken al heel ver met het musiceren
in groepsverband. Ze maakten gebruik van een melodiesectie die
bestond uit pijperfluiten. Trompetten vormden met slagwerk de
begeleiding.
De befaamde
Zwitserse Infanterie (het huurleger) nam de pijperfluiten en pauken
over in haar orkesten.
En naar Zwitsers
voorbeeld verspreidden de instrumenten zich razendsnel over
Europa.
De blaasmuziek ontwikkelde zich steeds verder.
Nieuwe technieken verbeterden de bestaande instrumenten, en maakten
nieuwe toepassingen mogelijk. Daardoor werd het weer eenvoudiger om
in groepsverband te spelen.
Muziek werd
voor meer mensen bereikbaar. In de 18e eeuw gaf opnieuw het leger
een belangrijke impuls voor hedendaagse fanfares en harmoniën. Ze
namen de saxhoorns en saxofoons op in hun orkesten. Dit goede
voorbeeld deed velen volgen: bugels, baritons en allerhande
saxofoons drongen ook door in de burgerij.
Vanaf 1870
werden in steeds meer plaatsen in Nederland blaasorkesten opgericht.
Het heeft geleid tot de situatie die we nu kennen: geen dorp of stad
in Nederland zit zonder orkest. Nederland telt ongeveer 2000 fanfare
-en harmonie orkesten.
Bekijk het
fragment uit de legendarische film "de
Fanfare"van Bert Haanstra.